Europees coronafonds zet druk op Haagse hervormingen: wat kan dit betekenen voor tandtechnisch ondernemers?

Dat Europese druk een belangrijke rol speelt bij recente Haagse hervormingen, werd eerder dit jaar al zichtbaar bij de wijziging van het wetsvoorstel rond schijnzelfstandigheid. De Branchevereniging Tandtechniek besteedde daar eerder uitgebreid aandacht aan in het artikel “Wijziging wetsvoorstel schijnzelfstandigheid: wat betekent dit voor ZZP-ers in de Tandtechniek en opdrachtgevers?”.

De recente berichtgeving over het risico dat Nederland mogelijk miljarden uit het Europese coronaherstelfonds misloopt, lijkt dit beeld verder te bevestigen. Achter de schermen lijkt Den Haag steeds nadrukkelijker te zoeken naar manieren om eerder aangekondigde hervormingen af te zwakken, te vereenvoudigen of gefaseerd in te voeren.

Voor tandtechnisch ondernemers, tandtechnische laboratoriumhouders en opdrachtgevers kunnen met name drie dossiers relevant zijn: de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zelfstandigen, de aanpak van schijnzelfstandigheid en diverse fiscale/autogerelateerde hervormingen.

Europese druk blijkt steeds belangrijkere factor
In het eerdere artikel van de Branchevereniging Tandtechniek werd reeds beschreven dat Nederland vanuit het Europese herstel- en veerkrachtplan verplichtingen is aangegaan om maatregelen tegen schijnzelfstandigheid door te voeren.

Ook werd toen al benoemd dat de minister juist vanwege Europese deadlines besloot het meest controversiële deel van het wetsvoorstel te schrappen om het resterende deel sneller door het parlement te kunnen loodsen. De recente berichtgeving laat zien dat deze Europese druk inmiddels breder begint door te werken binnen meerdere hervormingsdossiers.

Mogelijk lichtere verplichte AOV voor zelfstandigen
Een belangrijk dossier betreft de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. Hoewel de Europese Commissie juist waarde hecht aan betere sociale bescherming van zelfstandigen, blijkt de Nederlandse uitvoering politiek en praktisch ingewikkeld. De weerstand onder zelfstandigen is aanzienlijk en ook over de uitvoerbaarheid bestaan vragen.

Daardoor lijkt het niet uitgesloten dat uiteindelijk wordt gekozen voor een lichtere variant dan oorspronkelijk gedacht. Daarbij wordt onder meer gedacht aan langere wachttijden, beperktere basisdekking, meer uitzonderingsmogelijkheden of een gefaseerde invoering.

Voor zelfstandig werkende tandtechnici en tandprothetici zou dat kunnen betekenen dat de uiteindelijke financiële impact mogelijk minder zwaar uitvalt dan eerder werd gevreesd.

Schijnzelfstandigheid blijft gevoelig dossier
Ook de aanpak van schijnzelfstandigheid blijft politiek gevoelig. Zoals de Branchevereniging Tandtechniek eerder al toelichtte, blijft de juridische beoordeling voorlopig gebaseerd op bestaande wetgeving en rechtspraak. Wel blijft het nieuwe rechtsvermoeden van werknemerschap een aandachtspunt, zeker bij relatief lage tarieven.

De recente ontwikkelingen lijken er echter op te wijzen dat Den Haag zoekt naar een evenwicht tussen voldoen aan Europese afspraken, behoud van flexibiliteit voor ondernemers en beperking van onrust binnen sectoren die veel met zelfstandigen werken. Daardoor lijkt verdere afzwakking of vereenvoudiging van bepaalde onderdelen zeker niet uitgesloten.

Ook fiscale en mobiliteitshervormingen mogelijk minder hard
Daarnaast spelen nog diverse fiscale en autogerelateerde hervormingen. Daarbij gaat het onder meer om autobelastingen, fiscale vergroening, mobiliteitsregelingen en afbouw van bepaalde fiscale voordelen.

Ondernemers kunnen dergelijke maatregelen vooral gaan merken in hun dagelijkse mobiliteitskosten en investeringsbeslissingen. Voor tandtechnische laboratoriumhouders gaat het dan bijvoorbeeld om bedrijfswagens, leaseconstructies, bestelauto’s, brandstofkosten en fiscale aftrekbaarheid.

Dat kan zich bijvoorbeeld vertalen in hogere motorrijtuigenbelasting, hogere BPM bij aanschaf van voertuigen, minder fiscale voordelen voor brandstofauto’s of wijzigingen in lease- en mobiliteitsregelingen.

Daarnaast neemt de druk toe om op termijn over te stappen op elektrische voertuigen. In de praktijk lopen veel ondernemers daarbij echter tegen zaken aan zoals hogere aanschafprijzen, laadinfra, actieradius en onzekerheid over restwaarde.

Juist daarom lijkt Den Haag nu mogelijk te zoeken naar mildere overgangsregelingen en een meer geleidelijke invoering van bepaalde maatregelen.

De recente discussie rond het Europese coronafonds lijkt er bovendien op te wijzen dat sommige eerder aangekondigde maatregelen mogelijk minder streng of minder snel worden ingevoerd dan aanvankelijk werd verwacht. Dat zou bijvoorbeeld kunnen betekenen: langere overgangsperiodes, langzamere belastingverhogingen of extra uitzonderingen voor ondernemers.

Zelfs wanneer een tandtechnisch laboratorium zelf weinig zakelijke voertuigen gebruikt, kunnen dergelijke maatregelen indirect effect hebben via hogere transportkosten, stijgende leaseprijzen en algemene kostenstijgingen binnen de keten.

Zoektocht naar balans
De huidige ontwikkelingen laten vooral zien hoe Den Haag probeert een balans te vinden tussen Europese verplichtingen, politieke haalbaarheid, economische uitvoerbaarheid en beperking van extra lasten voor ondernemers en zelfstandigen.

Voor tandtechnisch ondernemers en laboratoriumhouders blijven deze ontwikkelingen relevant, juist omdat zij direct invloed kunnen hebben op personeelsinzet, samenwerking met zelfstandigen, mobiliteitskosten en toekomstige ondernemerslasten.

De komende periode zal duidelijk moeten worden in hoeverre Brussel akkoord gaat met aangepaste of afgezwakte Nederlandse hervormingsplannen.

Ga naar alle nieuws

Wordt nu ook lid

Bent u een tandtechnisch ondernemer op zoek naar een belangenbehartiger?